woensdag 14 september 2011

Middelandse Zee en ... Pyreneëen

Langzamerhand afdalend richting Middellandse Zee fietsen we door een prachtig, soms ruig, gebied en het dal van de rivier Hérault. Zo komen we, midden in het gebergte, bij het schilderachtige plaatsje St. Guilhem le Désert. Guilhem (755) was een kleinzoon van Karel Martel en een goede vriend en adviseur van Karel de Grote. Door zijn overwinningen bij Nimes, Narbonne en Orange ontvangt Guilhem de titel Prins van
Orange. Nadat hij zich, na een intensief leven, van het strijdtoneel terugtrekt, krijgt hij van Karel de Grote, als dank, een relikwie van het H. Kruis. Op advies van zijn vriend Benoit (Benedictus) d’Aniane, de stichter van de Benedictijner orde, bouwt hij op de plek, waar hij op dat moment is, een klooster. Na zijn dood groeit de abdij uit tot een waar bedevaartsoord. Vanaf die tijd draagt die plaats zijn naam. Na een kort bezoek verlaten we dit gebied en rijden door de kloof van de Hérault, via de markante 11e eeuwse brug, Pont du Diable, de noordelijke vlakte van de Languedoc binnen. Wijngaarden met druiven en druiven en nog eens …… proeven en passeren we om, aan het einde van de dag, aan te komen bij Pezenas, de stad van de toneelschrijver Molière. Het stadje inrijdend, fietsen we pardoes het pleintje op
waar de toeristeninformatie is gehuisvest. En je gelooft het niet, maar die nacht
slapen wij in Grand Hotel Molière. Tevens blijkt er in het pand van de toeristeninformatie een uitgebreide tentoonstelling, een scénovision, te zijn ingericht over het leven en werk van Jean-Babtiste Poquelin, of te wel Molière. Zeer verrassend en de moeite waard. Met benen vol kilometers en een hoofd vol ervaringen en indrukken, rijden we de volgende dag naar de Middellandse Zee. We hebben ons zelf een paar dagen rust beloofd en doen dat op een camping in Serignan Plage. “Middellandse Zee, souvenir van een zomer, enkel al het woord is als wijn op de tong”. En dat hebben wij ons laten welgevallen. Heerlijk!! Als we na een paar dagen rust onze fietstocht weer oppakken regent het, maar zien we de lucht in het zuiden lichter worden. Dus, op de pedalen en rijden. Het voelt weer lekker, je kont in het zadel, je beenspieren aanspannen en ….. de vrijheid ervaren! Voor een deel volgen we het Canal du Midi. Dit kanaal werd in 1660 bedacht door de vermogende Jean Paul Riquet. Het heeft een lengte van 240 km en verbindt de Atlantische Oceaan met de Middellandse Zee. In 1666 werd er met 12000 man aan begonnen en werd geopend in 1680. Helaas heeft JP Riquet dit niet meer mee mogen maken, Hij overleed een half jaar daarvoor. Het kanaal heeft dienst gedaan tot ongeveer 1930. Mede door de ontwikkelingen van de
spoorwegen en de grotere schepen raakte het in onbruik. Tegenwoordig is het een toeristische trekpleister voor de pleziervaart. Zo het kanaal volgend gaan we in de stad Béziers, met kanaal en fietspad, over de rivier de Orb heen. Dat is toch wel bijzonder. Ook bijzonder is het sluizencomplex, Ecluse de Fonsérannes, dat we later tegenkomen. Met een onderlinge afstand van 15 meter liggen daar negen sluisjes achter elkaar om een hoogteverschil van enkele tientallen meters te overbruggen. Uiteraard stappen we even af om dat fenomeen te bekijken. Na Colombier zien we opeens het kanaal in een rots verdwijnen, om er aan de andere kant van de berg weer uit te komen. Overigens is het niet alleen het kanaal dat door deze rotsberg gaat. Deze berg blijkt al duizenden jaren een kruispunt van wegen te zijn. Vanaf 118 voor Chr. loopt er al een weg over deze berg. Tien meter daaronder is, tussen 1667 en 1681, het Canal du Midi door de berg gegraven. Tien meter daar weer onder is er, in 1854, een spoortunnel door aangelegd en vanaf 1250-1270 ligt er op 30 meter diepte een drainage systeem door de berg heen. Dat is nog niet alles. Naast deze berg ligt een nog hogere top, het Oppidum d’Enserune. Deze hoge plek in het landschap bleek bij opgravingen in 1915 al een vestingsplaats te zijn geweest vanuit zowel de Grieks-Iberische tijd als de Romeinse tijd. We zijn deze berg niet helemaal opgeklommen, want vanaf halverwege de klim heb je een prachtig uitzicht over de vallei en kijk je neer op de Etang de Montady. Dit vroegere meertje werd in 1247 drooggelegd door kanalen radiaal te graven naar een centraal afvoerpunt in het midden. Het is net een gigantisch grote ronde taart die al in punten is gesneden. Alles bij elkaar werkelijk een heel bijzondere plek op de wereld om even bij stil te staan. En dat hebben we dan ook gedaan! Die nacht slapen we in de Auberge du Château de Bonnafous. Wat klinkt dat heerlijk hè! We kwamen het tegen langs onze route, vlak voor Durban-Corbières. Een goede keus! Echter maken we daar iets mee, waar we al eerder in Frankrijk tegenaan zijn gelopen. Namelijk dat je denkt te weten wat je vanaf het menu hebt besteld, maar wat toch heel iets anders blijkt te zijn. Zo dacht Wim zeker een keer iets met kip besteld te hebben en kreeg hij ‘draadjesvlees’. Nu vindt hij dat ook wel lekker, maar je zit elkaar toch even aan te kijken. Verder gebruiken die Fransen, voor sommige gerechten, ook wel vreemde namen, hoor. Zo in deze Auberge ook. De serveerster spreekt een beetje Engels en legt ons uit dat er iets is met een bepaald gerecht. Wij snappen het niet en zij legt het nog eens uit. Ze doet werkelijk haar best, wijst op de menukaart en het gerecht, zegt het in haar beste Engels en Frans, maar wij blijven dat lieve kind met grote vraagogen aan kijken. We begrijpen wel, dat er iets met ‘les huîtres’ is. Maar wat is in hemelsnaam een ‘huître’. Teneinde raad roept ze de hulp in van haar collega, die in België is opgegroeid. Samen komen ze bij ons tafeltje staan, waarna de collega het meisje haar laat nazeggen in het Nederlands: “Er zijn …. vandaag … geen … oesters”! Hallo !! Als Nederlanders nu oesters, oesters noemen en ze in het Engels oysters heten, waarom noemen die Fransen ze dan ‘huître’? Snap ik, dat we dat niet verstaan!! Achteraf hebben we er, met z’n vieren, smakelijk om gelachen. De volgende dag rijden we, via Col d’Extrème, die helemaal niet zo Extrème blijkt te zijn, Thuir binnen. Een leuk plaatsje waar tevens de fabriek staat, waar het drankje Byrrh wordt gemaakt en waar het
grootste wijnvat ter wereld staat. Omdat we ons hotelletje nog niet in kunnen, heel Frankrijk slaapt tussen drie en vijf, sluiten we ons aan bij een rondleiding door deze, al ruim honderd jaar bestaande, fabriek. Onze bepakte fietsen mogen we in het kantoortje, van een alleraardigste dame van de toeristeninformatie (zij slaapt gelukkig niet) neerzetten. De rondleiding is de moeite waard en Byrrh blijkt een kniftig aperitief te zijn, dat best lekker smaakt. We besluiten een fles voor Elma en Pieter mee te nemen. Wel weer ruim een kilo aan bagage, maar goed. O, en dat wijnvat? Ja, dat is heeeeeeeeeel groot en daar kan meer dan een miljoen liter van dat kniftige drankje in. En om de duigen van dat tonnetje op hun plek te houden hebben ze er 51 massief stalen stangen om heen getrokken. Onze route hebben we zo gepland, dat we vanaf Thuir, nog maar 51 km hoeven te fietsen om bij Pieter en Elma op Mas Caraus aan te komen. De Mas ligt op negenhonderd meter hoogte en de klim daar naar toe gaat over elf kilometer. Dus …. Tel uit je winst! Pieter heeft aangeboden om ons, vanaf de rivier de Arles, op te halen met de auto, maar dat is onze eer te na. Ja, het is een enorme puist, maar we bellen wel als het echt niet lukt. Vanaf de rivier tot Montferrer is een verschrikkelijke klim, ruim zeven kilometer lang en dat in de bloedhete zon. We rijden zo ‘klein’ mogelijk en bocht na bocht kruipen we, al slingerend omhoog. Op driekwart van de klim komt Pieter ons tegemoet. Hij moet met de auto naar de garage. We stappen even af en begroeten elkaar hartelijk. Pieter steekt zijn bewondering niet onder stoelen of banken en wij. Wij staan te druipen van het zweten en worden inmiddels belaagd door hele horden vliegen. We geven Pieter alvast de fles Byrrh mee, dat scheelt weer ruim een kilo. Snel weer in het zadel en door naar Montferrer. In het plaatsje aangekomen rusten we even uit en eten we wat voor we aan de laatste kilometers beginnen. Die blijken gelukkig een veel vriendelijker
stijgingspercentage te hebben. Voldaan en trots komen we aan op de top. Zwetend en moe geven we elkaar een kus. Poehé, wat een klim, wat een puist was dat, maar ….. we hebben hem uitgeperst, bedwongen, geslecht. Hij ligt aan onze voeten!! Tjonge, wat een heroïsche taal. Nou ja, voor deze ene keer mag dat wel, vinden we, na deze inspanning en meer dan twee duizend km op de teller. Met een goed gevoel stappen we af bij de Mas, waar Elma en de honden ons hartelijk begroeten. Bij Pieter en Elma komen we heerlijk tot rust en spelen een paar dagen “Godje in Frankrijk”. Daar tussen door helpt Wim om de houtvoorraad voor de winter wat aan te vullen en geeft hij de fietsen weer een onderhoudsbeurt. Stanny gebruikt haar creativiteit om een muurtje op het terras, op een Gaudi-achtige wijze, te betegelen. Werkelijk een prachtig resultaat en een lust voor het oog. We trekken er, met z’n vieren, nog een dagje op uit, o.a. naar het plaatsje Ille-sur-Tet. Dat is bekend om Les Orgues, een prachtige kalkrotsformatie waar wij een
wandeling doorheen maken. Uniek en heel bijzonder, die afwijkende steensoort tussen al die massieve bergen en heuvels. Verder rusten we uit, genieten van het mooie weer en bereiden ons weer voor op de laatste etappes door Spanje. Daar wacht ons eerst nog een klim van 700 meter over Col de Manrell en een steile klim naar Terrades, waarna we aan het eind van de dag in Figueres hopen aan te komen. Daarna is het op naar Girona en Barcelona. Inmiddels zijn de donaties voor de speeltuin van Matoekoe gestegen tot €3500,- Werkelijk een fantastisch resultaat! Dit geeft ons de moed en kracht om door te gaan, Barcelona te bereiken en de kinderen van Matoekoe gelukkig te maken met een speeltuin. Want die komt er!!


Geen opmerkingen: